Climacterische of overgangsklachten

vrouwen climacterisch

Climacterische of overgangsklachten treden op wanneer de vrouw in de periode komt waarin de vruchtbare levensfase eindigt. Veranderingen in de ovariële functie liggen hieraan ten grondslag. Hierbij stijgt de concentratie van het follikelstimulerend hormoon (FSH) en verdwijnen follikels uit de ovaria. Door het stoppen van de follikelrijping, daalt de estradiolproductie, prolifereert het endometriumslijmvlies niet meer en blijven de menstruaties uiteindelijk weg.

De menopauze wordt gedefinieerd als de laatste menstruatie in het leven van de vrouw. Postmenopauze is de periode vanaf 12 maanden na de laatste menstruatie. De mediane menopauzeleeftijd in Nederland ligt tussen de 50 en 51 jaar, voor vrouwen die roken ligt deze leeftijd lager. De diagnose ‘overgang’ wordt aannemelijk gemaakt op basis van anamnestische gegevens: leeftijd en symptomatologie. Deze periode, ook wel perimenopauze genoemd, start wanneer de ovariële activiteit afneemt. Dit gebeurt enkele jaren voor de menopauze.

Door de hormonale veranderingen kunnen naast de cyclusveranderingen tevens typische overgangsklachten optreden (zie Symptomen). Er kunnen klachten ontstaan door urogenitale atrofie; dit is een conditie waarbij de vagina en de weefsels rondom de vagina droog, dun en ontstoken zijn.

Symptomen

Climacterische klachten worden gekenmerkt door een irregulaire menstruele cyclus, vasomotorische symptomen (zoals opvliegers, (nachtelijke) transpiratieaanvallen) en urogenitale klachten (zoals vaginale droogheid, irritatie, dyspareunie, dysurie en aandrang tot urineren). Climacterische klachten kunnen al enkele jaren voor de menopauze ontstaan. Vasomotorische symptomen treden op bij ca. 80% van de vrouwen in de overgang. Deze zijn het meest frequent tijdens het eerste jaar na de menopauze en houden ongeveer 3-7 jaar aan. Klachten van urogenitale atrofie treden op bij ongeveer 15% van de perimenopauzale vrouwen en 30% van de postmenopauzale vrouwen. Verder kunnen symptomen voorkomen die niet tot de klassieke overgangsklachten behoren, zoals moeheid, stemmingsklachten (bv. somberheid), slaapstoornissen en spier- en gewrichtsklachten.

De verminderde oestrogeenproductie beïnvloedt tevens de botstofwisseling: rond de menopauze treedt een versneld botverlies op, dat bovenop het fysiologisch botverlies door het verouderingsproces komt. Daarnaast is het cardiovasculaire risicoprofiel voor postmenopauzale vrouwen ongunstiger dan vóór de menopauze.

Behandeldoel

Het doel van de behandeling is het verlichten van de klachten om daarmee een betere kwaliteit van leven te realiseren, waarbij de vrouw goed kan blijven functioneren zowel op werk als privé.

Uitgangspunten

De niet-medicamenteuze behandeling bestaat uit voorlichting over het beloop van de klachten en adviezen om de klachten te verminderen. Niet-medicamenteuze behandeling bij vasomotorische klachten heeft in het algemeen geen tot een matig effect.

Bij vasomotorische klachten kan hormoontherapie worden overwogen. De hinder van de klachten en het individuele risicoprofiel bepalen of er, in samenspraak met vrouw, gekozen wordt voor hormoontherapie. De behandeling dient na drie maanden geëvalueerd te worden en daarna jaarlijks tenzij er reden is voor eerdere evaluatie, zoals bij onvoldoende effect of bijwerkingen. Streef naar gebruik van maximaal 5 jaar, vanwege de geleidelijk oplopende risico’s van hormoontherapie.

Hormoontherapie bestaat uit estradiol, ter vermindering van vasomotorische klachten, en progestageen, ter verlaging van het risico op endometriumhyperplasie of –carcinoom. Toevoeging van een progestageen bij vrouwen zonder uterus is niet nodig, tenzij zij in het verleden endometriose hadden.

Bij perimenopauzale vrouwen gaat de voorkeur uit naar sequentiële combinatietherapie, waarbij het progestageen gedurende minimaal 12–14 dagen per maand wordt toegevoegd aan de continue toediening van het oestrogeen. Overweeg bij perimenopauzale vrouwen < 52 jaar mét een anticonceptiewens, een oraal gecombineerd anticonceptivum (zie Anticonceptie, hormonale) of een levonorgestrel bevattend IUD in combinatie met oraal of transdermaal oestrogeen.

Bij postmenopauzale vrouwen gaat de voorkeur uit naar continue combinatietherapie.

Bij klachten van urogenitale atrofie kan een lokaal oestrogeen en/of een indifferent middel worden voorgeschreven.

Milieu-impact hormoontherapie

Medicijnresten, waaronder oestrogene stoffen, komen na gebruik door de patiënt via het riool in het oppervlaktewater terecht. In de buurt van rioolwaterzuiveringsinstallaties zijn hormoonverstoringen, zoals vervrouwelijking en problemen met de reproductie, beschreven bij vissen, kreeften en mosselen. Het is zeer waarschijnlijk dat oestrogene medicijnresten hierop van invloed zijn geweest: zowel estradiol als ethinylestradiol overschrijden in het oppervlaktewater regelmatig risicogrenzen . In hoeverre hormoontherapie voor overgangsklachten hierin een rol speelt, is onbekend.

Shopping cart
Sidebar
We use cookies to improve your experience on our website. By browsing this website, you agree to our use of cookies.
Shop
Blog
Home
Menu